Proza

Proza

Het Boek 'De Kabine met een K' wordt geschreven. Ooit zal het af zijn, maar wanneer dat weet geen mens en ik zeker niet.


Af en toe schrijf ik nog ander proza, ook in opdracht

Als ik tijd heb zal ik eens al die teksten hier verzamelen. Maar dat heeft allemaal geen haast. 



De Hoge Venen zonder auto


«Bij mij zou zoiets helemaal in het honderd lopen. Het zou goeie maar levensbedreigende televisie opgeleverd hebben. Ook in het dagelijks leven mis ik elke vorm van praktisch vernuft: ik heb iemand nodig die de dingen organiseert voor mij.»

Dit zegt Otto-Jan Ham over het niet in staat zijn om de bootmanager te zijn tijdens hun reis over de oceaan. 

Het doet mij meteen denken aan vorig weekend. Meer bepaald het tweede deel van het verlengde weekend (maandag was didactische studiedag, of hoe heet dat ook weer, soit, de jongens waren thuis). 

Dus - terwijl ik in de zoveelste (maar wél de leukste van allemaal) livestream zat als dichter van dienst, sms’en An en ik elkaar over ‘nu toch ook eens naar de sneeuw gaan’. Zoals dat dan gaat geef ik dat in de handen van mijn immer de beste plek vindende vrouw. En dat heeft ze gedaan. ‘La Tannerie’ in Malmedy. Er was zelfs een station. Dus we konden er naartoe met de trein na enkele voorlopig vruchteloze pogingen om een auto te vinden die we konden gebruiken, de enige manier, aangezien het nogal ver fietsen is. 

Een busstation zo bleek. Maar we waren vastbesloten. We zouden naar de sneeuw gaan. De Hoge Venen. Recentelijk nog in het nieuws geweest, wegens veel te druk. Maar de sneeuw was al aan het smelten en vermits wij pas op zondag zouden vertrekken en ook maandag nog konden blijven, leek het ons eerder zo dat we in een nagenoeg verlaten sneeuwgebied gingen terecht komen ipv in een weekend-hotspot. 

De trein naar Verviers. Een uur en twintig minuten van Brussel-Zuid. Zo geschiedde. Gepakt met een grote koffer en de slee vertrokken we te voet naar treinstation Bockstael. Handig, vijf minuten wandelen en ipv met de al snelle metro, nog sneller met de S-trein tot Brussel Noord. 1 halte en we konden overstappen op de rechtstreekse trein. 


Op de trein speelden we uno en tegelijkertijd reserveerde ik de taxi in Verviers naar ons fantastische verblijf in Malmedy. Aankomst in Verviers om 1223u, taxi gereserveerd om 1230u. Bij aankomst geen taxi te bekennen. Dus even bellen. De taxi had wat vertraging. Een minuutje of twintig. Wij waaiden het wachten weg onder het mom dat we op vakantie waren en dat het niet uitmaakte. blad/steen/schaar is een topper op zo’n momenten. Zeker met Titus & Boris die hun gloednieuwe winterjassen al bijna aan het openhalen waren aan de roestige punten van het hek aan de taxi-standplaats (waar géén enkele taxi stond te wachten trouwens). Maar twintig minuten blad/steen/schaar duurt een beetje lang, dus na tien minuten wachten begint het rondstuiteren en aan elkaar hangen van het olijke duo onvermijdelijk uit de hand te lopen. Maar kom, daar was de taxi. Helemaal geen auto voor zeven personen zoals aan de telefoon werd medegedeeld, maar een model waarvan de zetels dienden te worden neergeklapt zodat ik niet naast de chauffeur diende plaats te nemen. ‘Si on porte nos masques, ça va hein.’ Was de chille, fan van Queen zijnde, met zijn mondmasker op de typische wijze onder zijn neus hangende taxichauffeur mij te melden. En zo waren we vertrokken. 

65 euro. Dat was even 30 euro boven ons geplande budget. Maar kom, we zijn op vakantie, en de trein is gratis. Als het dat maar is. 

An had het goed geregeld. La Tannerie in Malmedy ligt aan de voet van een bosrijke omgeving met mooie wandelpaden. Het verblijf zelf was ronduit fantastisch met een groot overdekt terras met van die gasvuurtjes en een prachtig zicht. Bovendien bleek de kamersituatie gewoon perfect. Twee kamers, met een deur tussen en elk een douche in de kamer. De tweeling in de ene kamer, mama en papa in de andere kamer. Bij aankomst joviaal onthaald door de fantastische uitbater. Eten gereserveerd uit het lokale restaurant ‘Un Artiste’ wordt hij genoemd door de Carli, de man des huizes. En het was effectief heerlijk. Helaas was er nog een niet sympathiek koppel Vlamingen waarvan vooral de man uitstraalde dat hij met niemand wilde praten, want anders zaten we daar moederziel alleen te genieten van onze Luikse balletjes, vol-au-vent en lasagne. Ervoor hadden we het heuveltje af gesleed en was het dikke fun tot de niet-waterbestendige broeken van de tweeling kletsnat waren en we naar ‘de villa’ zoals Boris het noemde teruggekeerd waarna we hemel en aarde diende te verzetten om ze nog eens mee naar buiten te krijgen. We maakten nog een kleine wandeling waarbij de slee onfortuinlijk tegen het scheenbeen van An knalde omdat de twee grapjassen niet konden stilzitten en naar voor tuimelden. 

Maar buiten dat was het zalig om eens ‘weg’ te zijn, en dan nog zo met ons gat in de boter te zijn gevallen met dat schitterende verblijf. Dit is het moment (na de tweede wandeling) waarop An zei ‘je zou hier echt over moeten schrijven.’ Daarmee doelend op het feit dat we dit toch maar aan het doen waren zonder auto. 

Om 21u lagen de boys eindelijk in slaap waarna we zelfs van een sauna konden genieten, dat was er ook al niet meer van gekomen sinds februari. 

De volgende dag zouden we verder trekken, zo spraken we af. Naar de hogere vlaktes, waar nog meer sneeuw lag. Ik overlegde ’s morgens aan het ontbijt met de eigenaar wat we het best konden doen (gezien de autoloze situatie), en hij suggereerde om ons naar het Signal de Botrange te brengen. 


We zouden onze bagage kunnen meenemen, en dan van daaruit naar het station van Verviers reizen na een wandeling op het hoogste punt van de Hoge Venen. We zaten daar dichter bij het station dan in Malmedy. En na wat opzoekwerk bleken we eigenlijk nog dichter bij het station van Eupen te zitten. Dus dan moesten we ‘gewoon een taxi bellen’ om aan het station - en zo huiswaarts - te geraken. 

Alles verliep gesmeerd. O ja, één dingetje in ons plan was niét gelukt. An is te voet naar het centrum van Malmedy getrokken om waterdichte broeken te kopen voor de tweeling, ze had zelfs een winkel gevonden die op hun site meldde dergelijke broeken te hebben. Maar in die winkel hoorden ze het in Keulen donderen en waren ze zelfs verwonderd dat ze een site hadden waar op te lezen stond dat er in hun winkel dergelijke broeken te koop waren. In de lokale Carrefour - waar ze een laatste poging deed om die broeken te vinden - werd mijn niet snel opgevende vrouw aangesproken op het feit dat ze twee schoendozen vast had, dat dat niet mocht met andere boodschappen rondlopen in hun winkel. Ze luisterde met stijgende verbazing naar de Carrefour-madam die bij hoog en bij laag beweerde dat dit écht niet kon, en dat iedereen dat wist dat dit niet mocht. Iedereen hier heeft een auto. Iedereen laat dus zijn andere boodschappen in zijn auto. Dat was haar conclusie, en ze zal er niet ver naast zitten. 


Aan het signaal van Botrange werden we dus afgezet door Carli, de uitbater van La Tannerie. Toen we uitstapten met onze grote koffer en de slee waren er drie Vlamingen (er waren precies enkel Vlamingen) die grapten ‘Ah, gijle komt hier slapen of wa?!’ Ik reageerde meteen op hun niveau ‘Ja, wij hebben hier een boomhut.’ En toen ‘Neen, wij zijn van die zotten zonder auto, die toch naar hier komen.’ De verbazing op hun gezicht uitte zich in meerdere vragen : ‘Ge hebt écht geen auto?’ ‘En hoe zijt ge hier dan wel geraakt?’ ‘Gij stemt zeker voor de Groene?’ ‘En hoe doet ge dat dan als ge boodschappen moet doen?’. Enz. Ik heb hen alles uitgelegd. Tijdens zo’n gesprek voel je je de loser en de koning tegelijk. Het verschil tussen de zestiger en de dertiger in het gezelschap was frappant. Die zestiger bekeek ons echt als een curiosum waar hij ooit al eens van gehoord had, maar nu voor het eerst in levende lijve exemplaren van ontmoette. De dertiger zijn blik was ernstiger, meer geïnteresseerd. Ik voelde dat er bij hem naast verbazing ook een soort bewondering was. Hij vond ons geen nitwits die het noorden kwijt waren zoals zijn oudere vriend of vader. 

Het feit alleen dat je jezelf moet staan uitleggen veroorzaakt bij mij een mengeling van moedeloosheid en een soort constant op zijn sokkel wankelende superioriteit. Een heel vreemd gevoel waar je onvermijdelijk alleen komt te staan in je gedachten omringd door allemaal mensen voor wie het ondenkbaar is dat ze ooit zouden doen wat jij doet. 

‘Een bewuste keuze?’ Ja, die vraag. Altijd. Meer en meer.


Ik heb in mijn leven weinig bewuste keuzes gemaakt. En dan ook weer altijd wel. Ik heb ooit de bewuste keuze gemaakt dat ik geen rijbewijs wilde. Niet omdat ik in 1988 het klimaat wilde redden, maar gewoon mijn eigen hachje. Ik ben af en toe wel eens verstrooid. We gingen vaak uit toen. In de R4 van Alex. We reden de autostrades af in de gietende regen, ’s nachts, met voorbij denderende camions naast, voor en achter ons. Ik heb toen doodsangsten uitgestaan, ondanks het feit dat Alex een heel goeie chauffeur was. En ik zag mij dat dus niet doen. Dus deed ik niet wat iedereen toen deed op hun 18de, mijn rijbewijs halen. 


Nu ben ik 50. En bovendien heb ik door mijn tijd bij de NMBS, levenslang recht op een vrijkaart voor de trein.
Ik zet mijn fiets op de trein en ik ben overal nagenoeg even snel als met de auto. Soms zelfs sneller, en zeker meer op mijn gemak. Files zijn mij nagenoeg vreemd. Met de trein reizen vereist net als met de auto rijden een zekere ervaring. 

Je moet je weg kennen. Je moet weten wat de mogelijke oplossingen of gevolgen zijn in bepaalde situaties. Het kan zwaar tegenvallen, en het kan ook goed meevallen. Andermaal net hetzelfde als met de auto. Een zware tegenvaller is bijvoorbeeld een zelfmoord op de lijn waarop jij je net bevindt. Dan hang je eraan voor uren. Een meevaller is een trein missen en een kwartier later een andere trein hebben. En daartussen is er nog een gans spectrum van mogelijke situaties. 


Maar dus. De Hoge Venen. We waren er allemaal nog nooit geweest. An niet, ik niet, en de tweeling al helemaal niet uiteraard. Door ons, hun ouders, zijn ze er nu al op hun 8ste geweest. Doorgaans zijn wij voor onze kinderen vrij goeie ouders, al zeggen we het zelf. Wij houden de sfeer erin. We lachen veel. Zo lang het goed gaat. En het bleef goed gaan. 


We kozen ervoor om de wandeling van 6 kilometer te doen ipv de ons aangeraden wandeling van 13 kilometer. We zagen uit de richting van de wandeling van 6 kilometer ook meer volk met kinderen terugkeren. Er was wel veel meer volk dan op dat heuveltje van de dag ervoor. Al de mensen die de met auto’s vol geparkeerde parking vertegenwoordigden. Het viel nog altijd mee. 

Waar we niet hadden bij stilgestaan is dat we ons op een plateau bevonden. Dus dat er geen hellingen waren om af te sleeën. Dit werd ons medegedeeld door het mottige koppel dat net als wij in La Tannerie had gelogeerd, gelukkig waren Titus en Boris toen met hun zoontje aan het spelen, waardoor de twee  kopietjes van Jantje (ze zouden meteen ‘abandon Mission’ hebben geopperd, wat ik nu stilletjes ook een beetje aan het doen was, maar mij inhield omdat ik inzag dat dit niet meteen een optie was) niet hadden gehoord dat er niks naar beneden te sleeën viel. 

Dus daar gingen we! Titus en Boris met splinternieuwe ‘waterdichte’ schoenen aan de voeten en al meteen postvattend op de slee die wij met de voorlopig nog steeds dapper zichzelf uitrekkende fietsband om beurt voort trokken. Prachtig sneeuwlandschap, beetje koud, maar dat hoort erbij. In het begin was het nog lachen en joelen, en genieten van het landschap. Foutje was om de jongens meteen in de diepe sneeuw te laten stappen, duiken, struikelen, kind zijn quoi, want - hoe plezant ook - uiteraard leidde dit meteen tot natte kousen in de waterdichte schoenen, natte handschoenen (want ze trekken ze voortdurend uit) aan de reeds lichtjes verkleumende handjes, alvast half natte broeken. 

De tweeling denkt op dit moment echter nog steeds dat we naar ‘de hoogste berg’ aan het wandelen zijn. Dus ze houden de moed erin. 

Om een lang verhaal iets korter te maken, ineens hebben ze door (ook omdat wij erover beginnen tegen elkaar) dat we ‘gewoon een wandeling’ aan het maken zijn. We zijn dan drie kwartier aan het wandelen, over de helft.  En dat er dus geen berg meer zit aan te komen. En dan begint het gezaag. Dat ze naar huis willen. Dat wij altijd stomme wandelingen willen maken en dat zij gewoon met de slee wilden naar beneden glijden. De wind begint te snijden, de handen en voeten beginnen koud te krijgen. An en ik staan beiden onze nog droge handschoenen aan, we vervangen een huilende Boris zijn natte broek door een droge,  op het hoogste punt van België. Maar het komt niet meer goed. Ze willen beiden enkel nog op de slee zitten en de traantjes komen nu meer dan ze worden tegengehouden, ook bij Titus. 


Dapper (want geen andere keuze) trekken we verder. Omdat An de enige van ons twee is met enige vorm van oriëntatie krijgt ze nu om de twintig stappen de vraag van ons of het nog ver is volgens haar. Titus is ondertussen al op het niveau dat hij zijn moeder haar visie in twijfel trekt. ‘Ik denk het niet hoor’ zegt hij, ondertussen op zijn lip bijtend. We moeten hier even door en dan zijn we naar huis flitst het door ons beider hoofd. 

Andermaal kijken we naar mama om ons weg te krijgen uit dit ineens in een ongure plaats transformerende, prachtige winterlandschap. 

‘We kunnen eigenlijk gewoon de bus naar Eupen nemen’ oppert An. ‘Wij willen een taxi nemen’ hoor ik mij en de jongens denken.
Maar ik geloof in An en haar kwaliteit om de dingen te overzien, ik geloof in ‘we nemen de bus’. Dus ik zeg ‘goed, dan doen we dat!’  En dan houdt Boris het niet meer. Koppig stapt hij vooruit, stilletjes huilend door de kou en omdat hij er genoeg van heeft. 

Ondertussen zit ook Titus te huilen op de slee. Jammerend dat hij helemaal niet op reis wilde, dat hij wilde thuis blijven enz. 

Eindelijk bereiken we het punt waar we onze bagage hebben achtergelaten in de snackbar aan de parking van het signaal. An ziet op haar app dat de bus er binnen twee minuten aankomt. Ik ga snel de bagage halen, maar het blijkt niet te kloppen. (Bus in de andere richting of zoiets)  45 minuten wachten is het verdict. Boris is aan het rillen en aan het huilen. Ik koop drie warme choco’s en een koffie. Ik roep dat iemand moet komen helpen, Titus komt afgelopen en tuimelt uiteraard in de sneeuw. Broek nat, sneeuw in zijn schoenen, de voorbode van een onbedaarlijke huilbui van twintig minuten. 

An bestelt een taxi in Eupen. Ik check de treinuren. We gaan de trein missen met die taxi. Ik opper dat we een taxi naar Verviers moeten nemen en zo de trein alsnog kunnen halen. Maar dan moet die taxi uit Malmedy komen, want anders zal het meer dan 100 euro zijn. Het blijkt 75 euro te gaan kosten tot aan Verviers, en die mens heeft dat duidelijk nog nooit moeten doen, dus zegt dat hij het wel wil doen, maar dat het 25 minuten duurt vooraleer hij ons oppikken kan.  De kinderen huilen nu allebei. We zijn omringd door mensen met grote auto’s. En dan gebeurt wat je niet wilt, je begint de ander te verwijten omdat je kinderen aan het huilen zijn. Je begint te discussiëren over taxi’s en in welke richting, of toch wachten op de bus. Nog eens een uur wachten in het station, want de trein zal weg zijn enz. 


We hebben geen ezeltje dat geld schijt, dus een taxi van 75 euro die nog niet eens een verschil maakt, want hij zou er tien minuten eerder zijn dan de bus, waardoor we toch de trein niet meer zouden halen, dat is er dan effectief over. 

En daar sta je dan. Voor alle zekerheid toch maar aan de bushalte, twintig minuten op voorhand, met de snijdende wind en kinderen die uitroepen dat ze hun voeten niet meer voelen door hun onophoudelijke tranen heen. Boris is nu zo onder de indruk van de onophoudelijk huilende Titus dat hij  opgehouden is met huilen en gelaten zijn broer tracht te troosten dat de bus niet lang meer wachten is. En ik verwijt An dat we in die situatie zijn beland. Doordat ik zo’n dingen niet op voorhand georganiseerd krijg en denk dat zij dat wél ten allen tijde kan. Er zijn momenten dat ik er dan wel in slaag om het van haar over te nemen, maar na de gefnuikte poging met de taxi uit Malmedy, is het moment aan die bushalte een zodanig dieptepunt dat alle plezier er nagenoeg bij in het niets valt. 


Als de bus er eindelijk is, dan is het nog niet gedaan. Neen, één van de meest miserabele momenten sinds Titus en Boris geboren zijn speelt zich vervolgens af op die bus - die o wonder - perfect op tijd was. In het middenstuk (alle zitplaatsen zijn bezet met oude dametjes en andere locals) trekken we de nog steeds huilende Titus zijn sokken en schoenen uit, die we vervangen. Waarna we hetzelfde doen met Boris. Dit met een mondmasker op en een bril die bedampt. De buschauffeur duwt stevig het gaspedaal in waardoor we de hele tijd heen en weer worden geschud. Bij de volgende halte stappen er nog reizigers op. Duidelijk ook wandelaars. Vrouwen van middelbare leeftijd van het ervaren wandeltype. Zonder kinderen. Ze gaan ook de trein nemen in Eupen hoor ik uit hun gesprekken terwijl Titus en Boris in slaap vallen en An en ik voorzichtig proberen een grapje te maken waarbij we beiden niet reageren door de de situatie ontmijnende lach maar beiden op ons beurt aangeven dat het moment om terug te lachen nog niet is aangebroken. 


En dan bereiken we het station van Eupen, waar de bus niet eens voor het station stopt, maar je nog even terug dient te wandelen, twee straten moet oversteken. Het is niks, maar het hakt er toch in. ‘De bus stopt zelfs niet voor het station’.  

Eens we op de trein zitten volgt de ontlading. Titus vraagt hoe dit plaatsje heet. ‘Eupen.’ ‘Dag Eupen! Tot nooit meer!’ Zegt hij op zijn kenmerkende manier. We halen het uno-spel boven, waar ik zoveel mogelijk tracht om An kaarten aan te smeren (een manier om het dunne ijslaagje op ons gemoed te doen smelten) en we hebben het gevoel dat An verwoordde in haar grapje op de bus ‘Alsof we net ontsnapt zijn uit een scene van een horrorfilm.’ 


De bottom-line, en de reden waarom ik dit heb opgeschreven is dat het quasi ondoenbaar is om dergelijke reizen - zeker met kinderen - te ondernemen zonder auto. Als alles goed gaat, dan is er geen probleem. Als je kind niet meer stopt met huilen omdat hij zijn voeten niet meer voelt, dan is dat zo triestig om aan een bushalte in de sneeuw te staan wachten terwijl de ene na de andere auto, met daarin mensen die je aanstaren alsof je een uitstervende diersoort bent, voorbij rijdt. Auto’s met zachte zetels, ruimte voor soms zelfs zeven, acht man. Met de radio en de verwarming die aan staat. Elke blik - eerst naar jou en dan in je verbeelding net iets langer naar de in de armen van zijn moeder huilende kind - snijdt door je ziel. En je zweert dat je dit nooit meer wilt doen. En je verwijt je vrouw dat ze het niet goed heeft georganiseerd, terwijl ze er alles aan heeft gedaan wat ze kon. 

Het is namelijk niet beter te organiseren. Ja, je kunt de uren van de bus op voorhand bekijken. Zorgen dat je net op het moment dat de bus er aan komt terug bent. Maar dat gaat dus niet met kinderen. 


Het is allemaal mooi en lovenswaardig om alternatieven als evenwaardig voor te stellen. We hadden een auto nodig. Punt. Want anders ben je de sukkel die het niet heeft begrepen. Alleen al het prijsverschil, 130 euro voor twee taxi’s, en het ongebruikelijke van die actie, zegt genoeg. ‘J’ai jamais fais ça monsieur, je ne connais pas le prix.’ 

In Brussel aangekomen dienden we nog een taxi te nemen. Want nog eens twintig minuten wachten op de trein zat er niet in. 

De eerste taxichauffeur suggereerde dat we twee taxi’s dienden te nemen, want dat hij geen vier mensen kon meenemen door Covid. Zijn collega is toen kwaad geworden, heeft hem toegeroepen dat het toch niet mogelijk is zo’n gedrag, en heeft ons alsnog thuis afgezet. 

In de taxi hebben we pizza’s besteld. Die is An dan gaan halen met de fiets, want ze leverden niet aan huis. 

Toen ze ermee thuiskwam waren ze koud. Het is niet alles geen auto hebben, zeker niet in de winter. 


Deze middag ging ik met mijn broer naar de Fondation Jacques Brel. We waren er alleen. We hadden zoals dat nu gaat ons tijdsslot gereserveerd. Het bleek helemaal veranderd met de vorige keer dat ik er kwam. Zijn jas hing er nog, en een telefoon, en nog wat kleine dingetjes zoals rapporten en brieven. Verder was alles gedigitaliseerd. Wat voor een schat aan visueel materiaal zorgde, te bekijken met audiogids. Ik zag Brel zijn vrouw verklaren dat toen haar man naar Parijs vertrok, ze dat normaal vond, dat hij zijn droom wilde najagen, en dat dit het gevolg van hun gemeenschappelijke visie op het leven was. Ik kan mij voorstellen dat zij nooit zaagde tegen Jacques Brel en vice versa. Ze vertelde over hun gemeenschappelijke visie op het leven en Brel zelf zei dat hij ‘un util’ wilde zijn voor de anderen. Waarmee hij bedoelde dat hij - uiteraard naast zijn grote drang om zijn dromen te verwezenlijken - er graag was voor anderen, er wilde voor zorgen dat door wat hij deed, anderen daardoor vreugde of inzicht in de dingen ervaarden. Ik zou ook wat minder moeten zagen tegen mijn An. Ze verdient dat niet. Ik zaag véél te véél. Boris heeft er al net zo’n handje van weg om altijd de anderen verantwoordelijk te stellen voor de dingen die verkeerd gaan. Zijn broer komt daarbij op de eerste plaats. Zelfs al loopt ie gewoon naast Boris als die valt, dan nog loopt hij het risico dat een gefrustreerde Boris uitroept ‘Titus!!!’ Waarna de andere uiteraard kwaad uitroept dat hij NIKS heeft gedaan! Titus van zijn kant kan al net zo goed zagen als ik. An trachtte hen gisteren uit te leggen dat er twee manieren zijn om in het leven te staan. Zoals papa, die zaagt of zoals mama die er de moed in houdt. Dat haar manier beter is. Dat was op de trein. Toen ze terug konden lachen. Ik heb toen een gek gezicht getrokken, terwijl An niet keek, en uiteraard had ik de twee weer op mijn hand. Ze hadden opnieuw de tranen in de ogen. Nu van het lachen. Ja, we zijn goed samen wij, maar het is toch niet makkelijk voor An met die drie zageventen van haar. Ik schrijf dit nu luchtig en zogezegd mea culpa slaand, maar ik zou het beter eens toepassen, zelfs in de moeilijke momenten. Nu ja, als je eigen kind zijn wangen nog kouder maakt door onophoudelijk te wenen en het uitschreeuwt dat hij zijn voeten niet meer voelt, dan zijn dat toch ietwat verzachtende omstandigheden. Neen, eigenlijk niet. Net dan moet je niet beginnen zagen, en al helemaal niet de schuld op de ander steken die er niks aan kan doen. 


Nog één bedenking misschien. An kan beter tegen de kou dan de tweeling en ikzelf. Ze doet niet eens een muts aan.
Ze houdt van dat typische winterse weer. Wij zijn toch meer jongens van de zee en de zon. 

Dat het maar snel lente en zomer is, zodat we weer overvolle treinen naar zee kunnen nemen. 

Wat sowieso altijd eindigt in wij (ik op kop) die protesteren dat we - nog - niet naar huis willen. De ene keer winnen we het pleit, en zijn we achteraf blij dat we nog zijn gebleven, ook An. De andere keer keren we huiswaarts en zijn we blij dat we niet te laat thuis zijn. 

Ja, ja, het leven. Het is niet simpel. Maar wel, hopelijk gaat ze nooit bij me weg want… 



Quand on n'a que l'amour

A s'offrir en partage

Au jour du grand voyage

Qu'est notre grand amour


Quand on n'a que l'amour

Mon amour toi et moi

Pour qu'éclatent de joie

Chaque heure et chaque jour


Quand on n'a que l'amour

Pour vivre nos promesses

Sans nulle autre richesse

Que d'y croire toujours


Quand on n'a que l'amour

Pour meubler de merveilles

Et couvrir de soleil

La laideur des faubourgs


Quand on n'a que l'amour

Pour unique raison

Pour unique chanson

Et unique secours


Quand on n'a que l'amour

Pour habiller matin

Pauvres et malandrins

De manteaux de velours


Quand on n'a que l'amour

A offrir en prière

Pour les maux de la terre

En simple troubadour


Quand on n'a que l'amour

A offrir à ceux-là

Dont l'unique combat

Est de chercher le jour


Quand on n'a que l'amour

Pour tracer un chemin

Et forcer le destin

A chaque carrefour


Quand on n'a que l'amour

Pour parler aux canons

Et rien qu'une chanson

Pour convaincre un tambour


Alors sans avoir rien

Que la force d'aimer

Nous aurons dans nos mains

Amis le monde entier




Mijn eigen geloof 


Ik geloof. Ik geloof in de mensen rondom mij. De mensen rondom mij geloven in mij. Wij zijn op ons gemak met elkaar. De mensen rondom mij zijn goeie mensen. De ene studeert radio aan een school die niet open is. De andere werkt voor een cinema die niet open is. De andere twee geloven nog in sinterklaas zo merkten we vorig weekend. Dat zijn de dichtste mensen. Het gezin. 


Mijn gezin mag bij mij zijn. De rest van de mensen rondom mij zie ik meestal online. Of wanneer wij een verboden feest organiseren met vier man. Wij noemen dat dan geen verboden feest, maar dat is het wel. Want wij geloven niet meteen in een God of zo, die ervoor zorgt dat wij mogen samenkomen. Allez, het is toch niet onze hoofdbezigheid, wij uiten ons niet als een dergelijke groep. Of hoe heet dat? Een gemeenschap. 


Mijn moeder is godvruchtig. Dat wel. Maar we zien elkaar niet meer momenteel. Zij woont in Oostende, wij in Brussel. Ze is wat bang voor het virus. Maar ze heeft er wel genoeg van. Wij dachten allemaal los van elkaar voor we het tegen elkaar zeiden ‘nog even doorbijten.’ 


Wij hadden ons neergelegd bij Kerstmis via Zoom (al gingen we dat dan wellicht ook maar niet doen). 


We gaan niet meer naar de cinema. We gaan niet meer naar het theater. We gaan niet meer naar muziekoptredens, ook geen intieme. We spelen online of nu zelfs ook al op tv. We luisteren naar theatermakers in podcasts. We lezen mee met Whatsapp-theater. Enz. We twijfelen om na een opname voor de tv nog iets te drinken. Zoals we altijd doen. En dan gaan we toch gewoon naar huis. Want waar moeten we iets gaan drinken? Alles is dicht. We gaan niet meer bij de goeie vriend op restaurant. Nochtans, als wij één geloof hebben, dan is het misschien wel het geloof in samenzijn. Met al wie wij willen. Maar nu mag dat niet. Dus wachten wij op het vaccin en op de lente. 


Brave burgers als wij zijn. Wij luisteren naar de radio. Op de radio horen wij mensen met veel macht. Die naar de raad van state trekken als zij met hun gemeenschap - die enkele weken voordien ook al in het nieuws was omdat de trouwfeesten een beetje uit de hand der maatregelen liepen - niet mogen vieren zoals zij dat willen. In Nederland kende dit een precedent. De veelbesproken gemeenschap in Urk liet zich ook niet aan banden leggen. Het was in Gods handen, en men trok samen naar de wekelijkse dienst. Nu zijn daar nogal veel besmettingen. 


Ik denk dat er nog wel gelovigen zijn van andere gemeenschappen dan de Joodse en de Protestantse die vinden dat het in Gods handen ligt. 


Ik geloof in de wetenschap. Ik geloof niet in samenzweringstheorieën. Ik geloof het dus dat we beter de maatregelen volgen, omdat ik geloof in de waarde van een leven. Ik had mezelf opgelegd te geloven in zwijgen. Omdat het zinloos is. Al die meningen. Al die opinies. Maar als ik mijn vrienden acteurs zie, mijn vrienden in de horeca zie, mijn vriendin in de cinema zie, mijn haar kleinkinderen missende mama zie, als ik kijk naar de winkelende, rinkelende mensen dan denk ik reeds dit is zwaar. Maar het is bijna voorbij. Het moet nu even. 


En dan is er meneer Freilich. Hij haalt de niet essentiële winkels aan. Hij haalt zwemmen aan. 

Hij haalt de tram aan. Hij noemt dat belangrijke zaken. Dat is voor al wie dat wil doen ook zo. 

En dan zegt hij dat het allemaal wel mogelijk is. Met mondmaskers. Met afstand. Als het maar veilig gebeurt. Solidariteit is uiteraard belangrijk geeft hij toe, maar dan haalt hij zijn vele christelijke vrienden aan. En gooit er meteen de bisschoppen bovenop. Of hij bang is over het hellend vlak? Het gaat volgens hem over veilige afstand, maskers dragen en dan lukt het wel. 


Het is een fundamentele vrijheid volgens hem om de geloofsdiensten samen te beleven.  

Wat met naar de kerk gaan vroeg hij zich luidop voor zijn Christelijke vrienden af. 


Wij, mensen die liever naar de cinema dan naar de kerk gaan, wij moeten meer lobbyen. 


We moeten zorgen voor onze kinderen. Dat ze onderwijs mogen genieten zoals het hoort. 

Samen. In plaats van achter hun laptop. Maar onze kinderen, én wij begrijpen het als het niet kan. Het is zwaar. Het is raar. Maar we blijven goedgezind en zien in dat het nu even niet gaat zoals we gewoon zijn. Want we willen van dat virus af. We willen ons leven terug. Het goddeloze, vrije leven dat we gewoon zijn. Waar we zien wie we willen, wanneer wij dat willen. Wars van maatregelen en vingerwijzingen, of de angst iemand die je liefhebt te besmetten. Al twijfelen wij soms. Of het niet wat overdreven is. Maar dan luisteren wij naar de wetenschap en de mensen in de zorg, die ons zeggen van niet. En wij gaan overstag. Althans, dat denken we van elkaar, van de ander die wij niet meer zien. 


Maar deze ochtend zag ik iets in. Iets waar we zouden moeten kunnen op terugvallen, zodat we naar de raad van state kunnen trekken als het ons teveel wordt. 

We moeten van cinema en theater bezoeken, een muziekconcert met tien man, uw vrienden en uw ouders, uw kleinkinderen en uw grootouders zien zonder dat ge langs de tuin moet binnenkomen, of op een koud terras met elkaar moet samenzijn nadat ge via de regenpijp naar boven zijt geklommen om niet door het huis te komen,  grondrechten maken.  Want wij hebben dat nodig. We hebben het al zo moeilijk zonder hogere macht tot wie wij ons in onze wanhoop kunnen richten. Ik ben het hier niet op flessen aan het trekken. 


De uitzonderingen zijn duidelijk op maat van de godsdienstgelovigen geschreven. 


Wij, de mensen die zonder geloof het leven naar eigen goeddunken invullen willen naar de cinema, het theater, een muziekoptreden kunnen gaan. We zouden dat veilig doen. Met afstand. En een mondmasker. Wij hebben dat nodig. Wij zien dat als een fundamenteel recht om ons goddeloze gemoed goed geluimd te houden. Het voedt onze ziel. Sommige films moét je in de cinema zien. Iedereen mag dat voor zichzelf uitmaken, maar het is fundamenteel, dat weet een echte filmfreak ook wel. Een muziekoptreden online, dat is goed geprobeerd, en iedereen moet dat zelf uitmaken of hij dat al dan niet wil, als ik de redenering van die o zo belangrijke meneer Freilich volg. 


Is dat niet hetzelfde? Misschien moeten we ons wat dramatischer gedragen, of vroom verontwaardigd, met medeleven voor onze mede-niet gelovigen, muziek- en theaterliefhebbers, filmfreaks enz. Om nog maar van de gemiste vrienden en familie te zwijgen. 


“De inspanningen dreigen ongedaan gemaakt te worden.” Ik kan dat zinnetje niet meer horen. 


Alles kan veilig als je het volgens de juiste maatregelen doet, hoorde ik de man tot herhaling toe op de radio zeggen, wel dan gaan we dat doen. Veertig man hoorde ik - in het parlement. Bij de meeste films die wij in de laatavondvertoning gaan bekijken nadat we de kinderen in bed hebben gestopt, zit 10 à 12 man. 


Mijn grootmoeder zei altijd ‘de slimme leven met de domme joengen.’ Zo is het maar net. 


Wat gaan we doen heren ministers? Heren raad van state? Blijven in de mensen hun gezicht swaffelen? (om er nog eens het woord van het jaar 2008 bij te halen, dat waren nog eens tijden) 

Of gaan we iedereen gelijk voor de wet behandelen? 


We zijn er. 


Er is geen wet voor het recht op cinema. Het recht op live-muziek, het recht op theater. Het recht op vriendschap. 


Ik heb vrienden die jojoën van radeloosheid naar je m’en foutisme door de maatregelen die hun leven on hold zetten. Dit schrijven is allerminst gestuurd door verontwaardiging. Wat gaan we daarmee bereiken? 


Het is onrecht. Het is ongelijkheid. Het is geswaffel in het gezicht. Punt.